Blog

Door Mieke Kuenen op 18/08/2019

Zondag is het precies een jaar geleden dat ik Ásgeir kocht. Hij was net 4 geworden. Een jaar! Ik weet nog als de dag van gisteren hoe hij zijn neus naar me uitstak over het hek en ik dacht: dit is m. Daarna bleef hij nog een maand bij de fokker en werd vervolgens overgebracht naar een trainingsstal. Daar brak een tijd aan van wennen, spelen met andere paarden en na een aantal weken begon voorzichtig de opleiding tot rijpaard. Wekelijks stond ik langs de kant toe te kijken. Alles leek goed te gaan. Maar ik voelde er niet zo veel bij. Geen grote blijheid, trots, of enthousiasme. Ik schrok er wel een beetje van. Was dit wel goed? Had ik te snel beslist? Hij was nog zo jong, en ik had geen idee wat er moest gebeuren. Nou was juist dát de reden dat hij bij een trainingsstal stond. Zij wisten het wél, een gingen vol vertrouwen aan de slag. Ze waren erg tevreden met wat ze zagen. Hij deed het goed, was braaf, rustig en leerde snel. Ik stond erbij een keek ernaar. Het kijken vond ik wel leuk, maar ik voelde niet erg de behoefte zelf wat te doen. Daar werd ik uiteraard wel toe uitgenodigd, gaandeweg het jaar steeds meer. De eerste keer dat hij met grondwerken achter me aan liep was ik ontroerd…de eerste keer dat ik op zijn rug zat en we een paar wankele stapjes maakten was ik euforisch. Maar dat was het dan ook. Het goede gevoel ebde langzaam maar zeker weer weg..

Op een zeker moment rukte hij zich los, waarna ik hem wilde corrigeren. Dat bezorgde me een paar hechtingen en wekenlang een hand die nauwelijks te gebruiken was. Toen werd ik ook een beetje bang voor hem. Hafdis zou zoiets nooit gedaan hebben! Néé, maar dit was Hafdis niet! Dit was een jong paard, die geen kwade bedoelingen had maar nog veel moest leren , en ik was te streng geweest. Een harde en wijze les, en vanaf dat moment benaderde ik Ásgeir anders, met open blik. 

Dat hielp. Maar ik werd er nog steeds niet heel blij van. En het leek wel of hij ook steeds minder blij werd. Hij deed netjes wat ik van hem vroeg, al ging het de ene keer beter dan de andere. Maar er was geen enthousiasme, geen klik, en we kregen er geen energie van. Hij ging een beetje op slot. En ik ook. Na elke keer dat ik hem reed, of longeerde, zette ik hem opgelucht in de wei en ging met Hafdis iets doen. Dan laadde ik weer op en voelde me blij. Ik had haar zó nodig op dat moment. Zij leek dat te beseffen. Ze was liever en braver dan ooit.

Mijn trainer was nog steeds erg enthousiast over Ásgeir. Ze waren inmiddels al maanden bezig samen en maakten mooie stappen. Maar er was nog veel werk aan de winkel: Ásgeir was niet zo voorwaarts, en kon bv nog niet tölten. Tot mijn verbazing merkte ik dat ik niet wilde wachten totdat de training 100% (en wat is 100% hé?) voltooid was. Ik wilde met de paarden terug naar Joppe. De trainingsstal was geweldig, voor zowel de paarden als mijzelf. We hadden er zó veel geleerd en waren op alle fronten geholpen….maar het was tijd om naar huis te gaan. Ik kon het niet goed in woorden uitdrukken maar voélde het tot in mijn diepste vezels. Ondanks het feit dat Ásgeir nog heel veel moest leren en ik op dat moment geen flauw idee had hoe ik dat zou gaan aanpakken wist ik dat het tijd was om te vertrekken. Gelukkig was mijn trainer het er helemaal mee eens. Hij was van mening dat we prima alleen verder konden. En ik kon elk moment bij hem aankloppen, dat gaf een goed gevoel.

Ik was er toch een beetje benauwd voor omdat ik zo weinig contact had met Ásgeir. Hoe zou ik dat gaan doen zonder de veilige hulptroepen?? En wat als het contact onvoldoende of slecht zou blijven? Wilde ik hem dan wel houden? Die twijfel zette ik algauw overboord: Hafdis was dolblij met hem. En ze waren sámen ook zo leuk, vanaf het allereerste moment. Hij, als jonge puber, kon tegen haar aanleunen, letterlijk en figuurlijk. Zij, op haar beurt, kon al haar moederlijke kwaliteiten bij hem kwijt. Een vriendin van me zei deze week: “Ze wilde toch zo graag een veulen? Nou, die heeft ze nu. En eentje die blijft…” Dat alleen al nam alle reden tot twijfel weg. We hadden zó veel gewonnen.

Op een goed moment drong tot me door wat er mis was: er was geen verbinding tussen Ásgeir en mij. We kenden elkaar, maar daar was ook alles mee gezegd. Oefeningen konden we goed doen, die hadden we geleerd. Maar we voelden er niets bij. Geen blijheid, geen emotie, geen sámen. Alsof er een scherm tussen ons instond. En verbinding is juist wat zo belangrijk is. Ik lééf vanuit verbinding, en door mijn hoogsensitieve aanleg ben ik me dat ook altijd erg bewust. Ik voel zo veel meer dan wat ik met mijn hoofd kan denken. Als ik geen verbinding voel met een ander mens dan klopt er iets niet. Dat wil niet zeggen dat ik met iedereen de hele dag diepgaand contact heb. Verbinding kan op alle nivo’s, van oppervlakkig tot diepgaand. Maar zonder verbinding kan ik niets. En met Ásgeir had ik geen verbinding, of heel weinig. Hoe kon het ook anders? Hij was elders opgegroeid en daarna een jaar lang bij een stal gestaan waar heel goed voor hem werd gezorgd en waar hij door toegewijde mensen getraind werd…..en ik? Ik kwam zo af en toe aanwaaien….vaak maar 1 of 2 keer per week….en binnen twee uur was ik weer verdwenen. Hoe had ik godsnaam kunnen denken dat er ‘verbinding’ zou zijn tussen hem en mij??

Toen ik dát besefte begreep ik ook mijn gevoel en gedrevenheid om de paarden naar huis te brengen, naar mijn eigen stal, hier om de hoek. Ik wist dat het tijd werd om die stap te maken, niet omdat ik rijkunstig wel uit de voeten kon met mijn jonge vriend, maar omdat ik behoefte had om zélf met hem te zijn, voor hem te zorgen en te kijken wat er nou wel of niet zou zijn tussen ons. Ik twijfelde aan alles: ik had nooit een jong paard moeten kopen; het had geen ruin moeten zijn; en twee paarden was sowieso een overmoedig besluit….maar ik besloot al die gedachten te parkeren en een nieuwe start te maken. Ásgeir had een prima opleiding gehad maar nu was het tijd voor ons. En dat zou alle tijd en ruimte krijgen.

De verhuizing verliep goed. De paarden waren direct op hun gemak in een fijne wei, mét schuilstal en prima verzorging. Ásgeir deed niets anders dan eten en keek niet op of om als ik de wei in kwam. Ik, op mijn beurt, deed geen enkele poging om hem te benaderen of iets te doen. Ik wachtte af. Ik liep wat rond, ging even zitten, gaf wat voer maar vroeg niets van hem. Geen enkele druk.

Het duurde precies twee weken. Toen begon hij zijn hoofd op te tillen als hij me aan zag komen. Hij kwam naar me toe. En de volgende dag weer. Natuurlijk was hij nieuwsgierig of ik iets te eten bracht, maar als dat niet zo bleek te zijn bleef hij toch in de buurt. Hij liep achter me aan de wei door. Ook toen ik Hafdis terugbracht na een rit zocht hij me op. Ondanks het feit dat hij dolblij was dat ze er weer was ( hij had onafgebroken staan hinniken) liep hij niet met haar mee de wei in. Hij bleef bij me staan. Naast me. Zachtjes snuffelen. Neus tegen me aan. Hij liet zijn hoofd zakken…ogen half dicht. Zo stonden we daar…in de schaduw van de stal…niemand in de buurt…gewoon samen staan. 

En op dát moment wandelde hij mijn hart binnen. Zomaar.

Waar ben je
naar opzoek?

Asset 1